Verhalen van onder het stof - Edouard Moreels

08 oktober 2018door Dienst Beleidsparticipatie

Edouard Moreels was van 1955 tot 1965 arbeider in de spinnerij en in de meetkamer van gewezen textielfabriek De Porre in Moscou-Vogelhoek.

De Porre: in de wijk Moscou-Vogelhoek klinkt de naam al lang als een klok. Van 1907 tot 1980 gonsde het hier van de bedrijvigheid en vormde deze textielfabriek het kloppende hart van de wijk. De lakens van De Porre waren alom gekend voor hun uitstekende kwaliteit.

Het is intussen al 34 jaar geleden dat De Porre de fabriekspoort voor een laatste keer dicht trok. Het sluitstuk van een lange, rijke geschiedenis. We konden nog acht voormalige werknemers opsporen die bereid waren hun verhaal te vertellen over hun stukje De Porre. We laten aan het woord: een wever, een broer en zus uit de spinnerij, een laineerder, een hoofdboekhouder, een mecanografe, een poetsvrouw en een infirmière. Hun getuigenissen beslaan de periode 1949 – 1980.  

Edouard: "Mijn eerste werkdag? Ja, dat was natuurlijk een grote verandering, nietwaar? Als jonge gast, 14 jaar en om vijf uur ‘s ochtends beginnen. Dat was om kwart na vier uit uw bed. Wij waren thuis met vijf kinderen en we zijn allemaal op ons  14 jaar begonnen in De Porre.
Eigenlijk vond ik dat niet erg. Ik stond niet stil bij de gedachte dat mijn jeugd opeens voorbij was. Ik heb er ook zelf voor gekozen. Het was in die tijd gemakkelijk om werk te vinden. Hier in de streek alleen al waren er drie fabrieken. Toen woonden wij in de Saint-Genoisstraat, pakweg 200 meter van De Porre. Als ik ne keer iets mankeerde, kon ik zelfs in mijn kwartierke pauze rap over en weer naar huis.

De eerste dag,  ge weet niet waar ge toekomt, in zo’n fabriek. Ge moet uw weg vinden tussen al die mensen die ge niet kent. Dat is natuurlijk een aanpassing, maar dat ging redelijk goed.
Mijn eerste dag werd ik voorgesteld als beginner en toevertrouwd aan een molenvrouw, die mij de eerste beginselen van het werk moest bijbrengen. Dat was om te beginnen het vuil en het garen uit de cilinders halen en er een beetje vet aan doen.

Daarna moest ik in de spinnerij aan de molens staan, bij de aftrekkers. Van de molens die vol waren, moest ik het garen aftrekken en er nieuwe kloskes opsteken en de boel weer in gang steken. Als het garen af was, moest ge dat er weer aan doen door het in een ringske te steken. Maar die spoel, die ge moest tegenhouden, draaide zo rap, dat uw handen verbrandden. In het begin was ik er toch een beetje schuw van en heb ik daar mijn vingers wel af en toe aan verbrand, maar dat was nog niet zo erg. De truc had ik rap vast. Het was wel doordraaien: de hele dag in zo een karreke spoelen vullen van de ene machine naar de andere. Vooral in de zomer liep het zweet van onze rug.

De sfeer was goed. Er werkten veel jongeren van mijn leeftijd en we kwamen goed overeen. En er waren jonge meisjes in de fabriek! Wat wilt ge nog meer op die leeftijd? Let wel: veel tijd om te spelen hadden we niet. Natuurlijk staken we nu en dan ook eens iets uit, maar zonder mekaar kwaad te doen.

De bazen zagen wij niet veel, zij zaten in een bureautje boven. Wij hadden vooral contact met de meesters en de meesteressen.
Ik heb de oude baas, Albert De Porre nog meegemaakt, de vader van Jacques. Die man kwam iedere ochtend zijn toer doen, langs alle afdelingen. Maar echte reclamaties hebben we daar nooit van gekregen.

Er was weinig contact tussen de spinnerij en de weverij. Als spinner kwamen wij nooit binnen in de weverij. Het mocht niet en daarbij: we hadden ook geen tijd om rond te lopen. De machines bleven altijd maar draaien. De mensen stonden acht uren aan hun molen. Eten gebeurde gewoon rechtstaand en we wisselden mekaar af, zodat iedereen toch iets kon eten. Ik was nogal een vleeseter en had vaak een stuk hespenworst of een blik corned beef mee voor tussen mijn boterham.

Qua laweit was er een verschil tussen de spinnerij en de weverij. In de weverij ging het er veel luider aan toe, door het geklets van de schietspoelen. Bij ons was het meer het draaien van de motoren.
Wel was er altijd veel stof. Twee keer per week moesten we met waaiers op een lange stok het stof dat op de lampen lag, naar beneden doen waaien en dan opvegen. Pas later zijn er stofzuigers gekomen en ook ‘De Spoetnik’. Zo noemden we de blazer die op rails gemonteerd werd boven de machines en die constant ronddraaide om te voorkomen dat er stof in de machines terecht kwam. Zelf heb ik niet veel last gehad van dat stof, maar de collega’s die de kammen moesten uitdraaien, hebben veel meer stof gegeten.  Als die mensen asemden, hoorde je ze wel piepen.

Het werken in ploegen was soms zwaar, zeker als jonge gast. We gingen al eens een stapke in de wereld zetten, en dan waren het toch korte nachten. Maar we hadden nog chance dat we hier om de hoek woonden. Voor die ploegen die uit Wetteren en Sint-Lievens-Houtem kwamen, was het nog een uur vroeger opstaan. In het begin was het zes dagen op zeven. Voor wie op zaterdag de middagploeg had, was het werken tot negen uur ’s avonds. Dan schoot er van uw weekend alleen de zondag over en was het op maandag weer vroeg opstaan. Later is het zaterdagwerk afgeschaft, een grote verbetering!

De verloning in De Porre was naar behoren, maar de daguren in de textiel zijn altijd een van de flauwste geweest.

Destijds was er ook een winkel in De Porre. Wie hier werkte, kon er lakens kopen. Mijn vrouw heeft nog altijd enkele exemplaren liggen. En, zonder te willen stoefen: de lakens van De Porre waren van een betere kwaliteit dan die van de grotere UCO-fabriek. Het beddengoed dat je destijds in de Innovation kon kopen, kwam van hier en niet van de UCO. Goeie marchandise! In de zomer, als de nachten warm zijn, slapen mijn vrouw en ik nog wel eens onder een laken van De Porre.

Ik heb ook een tijdje gewerkt in het balenmagazijn. Het katoen kwam in balen binnen met camions.  De bazen wisten dat ik nogal een sportieve kerel was en hadden mij al rap te stekken. De balen werden gelost en moesten dan naar binnen gebracht worden. Sommige balen van dat Russisch katoen wogen 50 of 70 kg, maar de grote exemplaren 100 kg. Dat was wel arbeid, maar toch geestig, want ze lieten mij dan gerust.
Het was onze taak om al die balen te stapelen en met een breker te herleiden tot vlokken voor verdere bewerking.  Eén keer is er iemand van zo’n baal gedonderd en was hij een beetje knock out. We hebben hem toen naar de infirmière hier in het bedrijf gebracht. Hij is dan met de tram naar het ziekenhuis gegaan. Bleek dat hij een hersenschudding had opgelopen. Echte arbeidsongevallen heb ik niet meegemaakt.

Daarna heb ik nog twee jaar in de meetkamer gestaan en ook een maand of zes meegeholpen met de vernieuwing van de machines. Ik was naar de vakschool bij Carels geweest en wist daar toch een en ander van af.

’t Heeft hier lang leeggestaan, maar nu ben ik toch content dat ze het aanpakken. Dat zal een serieuze verbetering zijn voor de gebuurte.

Moest ik opnieuw mogen beginnen, zou ik toch wat langer naar school gaan en dan werk zoeken die daar bij past. Maar vroeger ging het er anders aan toe: ik was jong en wilde geld verdienen en voilà. We waren content dat we mochten werken en dat we werk hadden.

In mijn loopbaan heb ik in drie fabrieken gewerkt: De Porre, Citroën in Brussel en tot slot de Puntfabriek (Arbed) in Gentbrugge. Bij alle drie heb ik de deuren weten sluiten. Maar het was niet door mij." 

Meer over: 

Edouard Moreels (Foto: Brecht Van Maele)

Ontdek de verhalen van de Gentse Raconteurs

Heb je zelf een boeiend verhaal over je wijk? Over een markant figuur, een bijzondere plek, een opmerkelijke gebeurtenis?
Deel het op dit platform. Voeg je tekst in, laad een passende foto, video of audiofragment op, duid de wijk aan (adres of locatie) en publiceer. In het aparte tabblad bovenaan vind je een handige handleiding.
Wil je zelf mee op jacht naar interessante verhalen in je wijk en als reporter aansluiten bij de Gentse Raconteurs? Contacteer dan David Slosse, telefonisch op 0475 73 04 64 of via raconteurs@stad.gent